Raindropchess is een open en speels schaakspel, met een perfecte balans tussen tactiek en kans. Bij aanvang staan de schaakstukken naast het schaakbord opgesteld, op gemarkeerde ronde velden. Door het om de beurt draaien van Raindropchess speelkaarten komen de stukken een voor een op het schaakbord. De spelers kiezen zelf de velden waar ze geplaatst worden. Het speldoel is: de koning van de tegenstander uitschakelen (=schaakmat zetten)
De speldoos bevat: - Raindropchess® spelbord (afm. 58,5 x 41 cm, 1 x gevouwen, afwasbaar) - 16 witte Raindropchess® schaakstukken - 16 zwarte Raindropchess® schaakstukken - 8 blauwe Raindropchess® promotiestukken - 1 set Raindrophess kaarten (36 stuks) - 1 handleiding
Speluitleg : In de onderstaande alinea's staan de spelregels beschreven. Dit zijn ook de regels die gehanteerd worden bij het spelen van toernooien.
Eigenschappen van de stukken : De schaakstukken hebben bij Raindropchess® dezelfde eigenschappen voor verplaatsen en aanvallen als bij schaken.
Waar mag ik de stukken plaatsen : Dame, Toren, Loper en Paard mogen op alle velden worden geplaatst die nog vrij zijn. Pionnen voor wit mogen worden geplaatst op de vrije velden van rij 2 tot en met rij 6. De pionnen voor de zwartspeler mogen op de vrije velden van rij 7 tot en met rij 3 worden geplaatst. De koning mag alleen op velden worden geplaatst waar hij niet schaak staat (=aangevallen).
Het spel begint met kaarten omdraaien : Wit draait als eerste de bovenste kaart om en plaatst het stuk dat op de kaart staat afgebeeld, volgens de hierboven beschreven regels, op een veld. Daarna is de beurt aan zwart. De tegenstander moet steeds kunnen zien welke kaart de ander heeft omgedraaid. Als een kaart eenmaal is omgedraaid dan moet het stuk dat op die kaart staat afgebeeld ook worden bijgeplaatst.
De koning op het bord : Als van een speler de koning op het bord is gekomen, heeft (alleen) deze speler in de volgende beurten een keuze: of een kaart omdraaien of een schaakzet doen. Met een schaakzet verplaats je een schaakstuk naar een ander veld en kun je bijvoorbeeld een schaakstuk van de tegenstander slaan of de koning schaak zetten. Heb je een schaakstuk gepakt om een zet te doen, dan moet je met dat schaakstuk zetten.
Stukken aanvallen en slaan : Met elk schaakstuk dat wordt geplaatst mag je de stukken van de tegenstander aanvallen, ook de Koning. Een aanval op de koning (de koning staat schaak) moet worden opgeheven (verdedigd). Je mag een stuk van de tegenstander slaan alleen als je eigen koning al op het bord is. Geslagen stukken gaan van het spelbord af, die doen niet meer mee.
Verdedigen kan door : - Het tussenplaatsen van een schaakstuk (reeds op het bord of door trekken van een kaart) - Verplaatsen van het aangevallen schaakstuk (als de eigen koning op het bord is) - Door terug te slaan met een eigen schaakstuk (als de eigen koning op het bord is)
Promotie : gebruik van de blauwe schaakstukken Als een pion de overkant van het bord heeft bereikt, wordt deze ingewisseld voor een van de eigen blauwe schaakstukken. Het blauwe schaakstuk neemt dan de plaats van de pion in. Dit heet promoveren. Slechts vier pionnen kunnen promoveren.
Als de kaarten op zijn : Heeft een speler al zijn kaarten al gebruikt, dan kunnen er alleen nog maar schaakzetten (verplaatsen van stukken) worden gedaan. Wanneer is het spel afgelopen? Als de koning het schaak niet kan opheffen is het spel afgelopen (= de koning staat schaakmat). Dat is het geval als de volgende vier punten tegelijk gelden: 1. De koning wordt aangevallen (= koning staat schaak) 2. De koning kan niet naar een veld waar hij niet wordt aangevallen. 3. Het schaakstuk dat de koning aanvalt kan niet worden geslagen. 4. Er kan geen schaakstuk worden geplaatst tussen de koning en de aanvaller. |